Natuurijsschaatser Harmen Bouter merkte dat wind vaak invloed heeft op de groei van natuurijs. Dat maakte hem nieuwsgierig: hoeveel verschil maakt wind nu echt? Hij deed een kleine test en kwam tot verrassende resultaten. Natuurijswijzer deelt zijn bevindingen graag. Hieronder lees je wat hij ontdekte.

Tegenwoordig staat naast de werkelijke temperatuur bijna altijd de gevoelstemperatuur. Het verschil tussen die twee cijfers ontstaat door de wind: de ‘windchillfactor’. Ik wilde weten wat voor effect wind heeft op ijsvorming en deed daarom een klein testje.

windchilltest Harmen de Bouter
Testopstelling: vier emmers die afwisselend wel/niet voor de ventilator staan

Wat is windchill?
In mijn eigen, niet‑meteorologische woorden is de windchillfactor ‘de mate waarin warmte wordt afgevoerd’. Het principe is simpel: een object neemt sneller de omgevingstemperatuur aan als de lucht beweegt. De windchillfactor bepaalt dus hoe snel iets afkoelt tot de werkelijke temperatuur.
Stel: je schaatst, het vriest vijf graden en het waait windkracht 8. Dan is de gevoelstemperatuur –18 °C. Als je stil gaat zitten, koel je nooit af tot –18 °C; het is immers maar –5 °C. Maar je koelt wél net zo snel af tot –5 °C als wanneer het –18 °C zou zijn zonder wind. In het plaatje hieronder zie je de windchillfactor bij verschillende temperaturen en windsnelheden.

Tabel Gevoelstemperatuur op basis van de windsnelheid

Waarden in de tabel o.b.v. de JAG/TI -formule die het KNMI ook gebruikt.
Lees hier meer

Windchill bij ijsvorming
Voor het bevriezen van water speelt windchill geen rol. Als het 1 °C boven nul is en het stormt, voelt dat voor ons misschien als –10 °C, maar het water bevriest niet. Sterker nog: als er al ijs ligt, smelt dat zelfs sneller dan wanneer het windstil is. Dat voelt misschien tegennatuurlijk, maar zo werkt het nu eenmaal. Pas bij een werkelijke temperatuur onder het vriespunt kan ijsvorming optreden.
Zodra de temperatuur onder 0 °C zakt, speelt windchill wél een rol — op twee manieren. Ten eerste zorgt harde wind voor golven, en golvend water bevriest minder snel omdat het zich mengt de warmere onderlaag. Weinig wind tijdens de eerste vriesnacht is dus ideaal.
Zodra er een laagje ijs ligt, gebeurt juist het tegenovergestelde: hoe harder het waait, hoe sneller het ijs afkoelt en hoe sneller het groeit. Dat lees je ook in de literatuur over ijs. Maar hoe sterk is dat effect precies?

test natuurijsvorming en wind
Testopstelling met watergevulde emmers, waarbij de ijsdikte gemeten werd

Zelf beproefd
Op 25 en 26 januari 2026 vroor het twee dagen licht (ongeveer –2 °C) en was het windstil. Een perfect moment om het effect te testen. Ik zette twee emmers voor een ventilator die ongeveer 10 km/u blaast, vergelijkbaar met windkracht 2 à 3. Buiten het bereik van de ventilator zette ik op gelijke hoogte nog twee emmers. Op basis van de windchill was de verwachting dat het ijs in de emmer die twee nachten voor de ventilator stond dikker zou zijn dan in de emmers die niet, of slechts één nacht, voor de ventilator hadden gestaan. In de tabel hieronder zie je de meetresultaten.

Tabel meetresultaten

Meer wind, meer ijs
Bij matige vorst (–2 °C) en een zwak tot matig briesje (windkracht 2 à 3) is het verschil tussen de werkelijke temperatuur en de gevoelstemperatuur ongeveer –4 graden. In de test zorgde dit kleine verschil al voor een halve centimeter extra ijs per nacht. Bij windkracht 4 verdubbelt dat verschil, waardoor de ijsaangroei nog sneller zou moeten gaan. Het lijkt er dus op dat wind kan bepalen of je al na twee, of pas na drie nachten vorst kunt schaatsen.

Proeven natuurijs windfactor
Testresultaten: van links naar rechts ijs uit emmer 1, 2, 4 en 3

Windrichting en ijsdikte
Naast de windkracht speelt ook de windrichting een rol. Als een plas nog niet helemaal dichtgevroren is, drijft de bestaande ijsplaat naar de lagerwal. In de nachten daarna vriest de rest van de plas, tegen de wind in, verder dicht. Daardoor ligt het dikste ijs vaak aan de lagerwal.
Meestal vriest het bij noordoostenwind, en dan ligt het dikste ijs aan de zuidwestkant van de plas. Toch hoeft dat niet altijd zo te zijn. Het blijft belangrijk om te kijken waar de wind vandaan kwam en hoe de plas erbij ligt. Bomen of andere obstakels kunnen de situatie helemaal veranderen.

Conclusie: Letten op windkracht en windrichting
Wind speelt een grotere rol bij ijsvorming dan ik dacht. Zelfs bij lichte vorst kan een beetje wind al zorgen voor duidelijk snellere ijsaangroei. Bij hogere windsnelheden wordt dat effect nog sterker. Ook de windrichting bepaalt waar het ijs het eerst dichtvriest en waar het het dikst wordt. Wie wil weten waar en wanneer er geschaatst kan worden, kijkt dus niet alleen naar de temperatuur, maar ook naar windkracht en windrichting.

En als er ijs ligt, en als het dan waait, dan hoop ik dat je — juist op het moment dat je tegen de wind in ploetert — even denkt aan het feit dat diezelfde wind heeft meegeholpen aan het ijs onder je voeten. En dat je, met de wind in de rug, voelt hoe moeiteloos je over het ijs glijdt en hoe mooi de natuur kan zijn.